Hoe de dood ons drijft

(Leestijd: 3 - 5 minuten)
Hoe de dood ons drijft

In het boek ‘Hoe de dood ons drijft’ proberen drie Amerikaanse wetenschappers hun lezers te overtuigen hoe de dood een enorme impact heeft op ons leven, ook al willen we dat vaak niet zien. De hoeveelheid kennis die de auteurs hebben over de dood, de vele onderzoeken die ze aanhalen en de vele thema’s die ze aanstippen maken het boek lezenswaardig en laten je reflecteren op je eigen kijk op de dood. Desondanks weet het boek niet altijd te overtuigen van de allesomvattende aanwezigheid van de dood, terwijl die er waarschijnlijk wel is.

 

 

 

 

 

Toen het boek werd gepubliceerd wilde ik het direct lezen. De dood voelt intuïtief als iets groots en bijna onaanraakbaar terwijl het – zeker in deze coronatijden - zo dichtbij is. We verwonderen ons voortdurend over het bestaan van de dood, zijn bang voor de dood, brengen grote offers om de dood uit ons leven te bannen en proberen het bestaat ervan te ontkennen. Niet alleen als ik mensen rondjes zie rennen in het park (of als ik zelf rondjes ren), maar ook als we beschermend zijn naar onze kinderen, of met de uitbraak van het Coronavirus, de dood is onderdeel van ons bestaan. We zijn er doodsbang voor, dat de dood ook een keer bij onszelf of een van onze dierbaren zal aankloppen en dus doen we er van alles aan om de dood buiten de deur te houden. De dood is allesomvattend en voortdurend (latent) aanwezig.

En dat geldt ook voor in het leven van onze patiënten. De dood is een van de belangrijkste leidmotieven. Onze patiënten zijn bang voor de dood, spelen met de dood, zijn destructief. Sommigen zien de dood als een trouwe vriend die altijd voor je klaar staat als je hem nodig hebt. Ook daar lijkt de link snel gelegd. En terecht. De auteurs beschrijven hoe de dood dokters motiveert om het leven van patiënten te verlengen. De vraag is hoe wij als mensen met dit onafwendbare einde moeten omgaan om er gewichtsloos en vrij over kunnen spreken. 

 

De auteurs hebben de afgelopen decennia (!) bovenstaande aspecten te vangen in het opzetten en uitvoeren van wetenschappelijk onderzoek. De auteurs hebben misschien niet alle antwoorden maar doen een manmoedige poging. Het verzandt soms nog te vaak in de wetenschappelijke bewijsvoering dat de dood inderdaad aanwezig is, onze levens beïnvloed op tal val verschillende manier en probeert ons te overtuigen dat de dood – of de angst ervoor- in ons allemaal zit. Wat het boek niet beantwoord is de meest voor de hand liggende vraag hoe wij als gewone stervelingen met het naderende einde om moeten gaan. 

De auteurs behandelen allerlei aspecten van de dood; de geschiedenis (80 bladzijdes over religie en onsterfelijkheid is voor een ongeoefende lezer echt een uitdaging), de filosofie, de psychologie en sociologie, de onsterfelijkheidsmythes en het menselijke lichaam. Alles wordt besproken.

 

Het boek weet ook daarin niet helemaal te overtuigen. Zowel als puur wetenschappelijke exercitie als een eventueel zelfhulpboek schiet het tekort, terwijl het wel alle belangrijke thema’s aanstipt. Even lijkt het boek te ontbranden, als het begrip eigenwaarde wordt aangehaald als belangrijke beschermfactor tegen veel gepieker aan de dood. In het aangehaalde onderzoek wordt eigenwaarde, zelfvertrouwen en zingeving als beschermende factoren aangewezen en houden die mogelijk de angst voor de dood op een afstand. Misschien is dat wel een van de belangrijke boodschappen in het boek.

Een andere mooie vondst vond ik de relatie tussen geld en de dood. Rijkdom gaat niet alleen maar over geld, het gaat ook over ‘het gevoel om bijzonder te zijn en daarmee ongevoelig voor de normale beperkingen van het leven. Roem zou daarmee op korte termijn ook de angst voor de dood enigszins in kunnen dammen’.

Ook reflecteren de auteurs op de rol die religie hierin kan spelen; ‘dat betekent niet dat deze spirituele dimensie die wij omarmen in een poging onze existentiële angst te bezweren, uiteindelijk niets anders is dan een defensieve verdraaiing en verhulling van de werkelijkheid om de onvermijdelijkheid van de dood uit te wissen’

 

Kortom, het is een complexe opgave om op een vruchtbare manier met de onvermijdelijkheid van de dood om te gaan. Denk maar aan de obsessie van veel mensen voor fysieke fit- en schoonheid. We doen we er alles aan om jong te blijven en zo de confrontatie met onze sterfelijkheid niet (letterlijk) onder ogen hoeven te zien. Fitnessen, plastische chirurgie, sporten, gezond eten. Alles staat daarmee indirect in relatie met de angst voor de dood.

 

 

Wat hebben hulpverleners in de GGZ aan dit boek?

Helaas laten de auteurs hier een kans liggen. Ze gaan relatief kort in op de angst voor de dood in de spreekkamer, maar erkennen dat deze groot is in psychiatrische stoornissen. Voor verschillende stoornissen worden aangestipt, maar dat gebeurt redelijk oppervlakkig en weinig overtuigend. Een gemiste kans. De dood kan in de psychiatrie, en zeker in de psychotherapie een belangrijk thema zijn wat leidt tot het verdragen van je eigen tekortkomingen en je sterfelijkheid. Iets wat de auteurs meer hadden mogen aanstippen (ook al is het boek niet geschreven met therapeutische intenties).

Samenvattend is het boek een mooie wetenschappelijke uiteenzetting van bewijs hoe de angst voor de dood ons dagelijkse leven beïnvloedt, en hoe het vele aspecten van ons menselijke gedrag beïnvloedt. Over de praktische aspecten hoe deze kennis ingezet kan worden in de behandelkamer of in het dagelijks leven is weinig aandacht. Misschien is dat iets wat in een volgend boek meer aan de orde zal komen.

 

 

 

Referentie:

Hoe de dood ons drijft

Sheldon Solomon, Jeff Greenberg, Tom Pyszczynski 

Uitgeverij Boom

2019 | ISBN 9789024403004 | 320 blz.