Een korte effectieve therapie voor suïcidaliteit?

(Leestijd: 2 - 4 minuten)

Het aantal geslaagde suïcides stijgt de laatste jaren wereldwijd, met een geschat aantal van meer dan een miljoen per jaar en is doodsoorzaak nummer 1 onder de 24 jaar in de meeste westerse landen. De belangrijkste voorspeller voor geslaagde suïcide is een eerdere suïcidepoging; dit verhoogt de kans 40 tot 100 keer ten opzichte van mensen die nooit een suïcidepoging deden. Er is opvallend weinig bekend over effectieve interventies voor lange termijn reductie van suïcidaliteit.

Een probleem met interventiestudies bij suïcidaliteit is de hoge uitval van meer dan 50%. Een ander probleem is dat suïcidaliteit volgens het medisch model steeds als onderdeel van een psychiatrische stoornis wordt gezien. Hoewel bij 90% van de suïcides wel degelijk sprake was van een psychiatrische stoornis (Mann et al. JAMA 2005), met name depressie, is het voor suïcidale patiënten hun eigen hopeloosheid, uitzichtloosheid, pijn en gebrek aan zelfvertrouwen dat op de voorgrond staat, onafhankelijk van een diagnose. Dit roept bij sommigen de vraag op of suïcidaliteit niet beter als aparte entiteit of transdiagnostisch fenomeen kan worden beschouwd. Zie ook dit DJP artikel.

 

Kort maar effectieve interventie

Onlangs verscheen in PLOS Medicine een interessant artikel over een vrij eenvoudige interventie ter preventie van suïcide bij volwassenen die in beeld kwamen op de spoedeisende hulp na een suïcidepoging. De interventie, Attempted Suicide Short Intervention Program (ASSIP), bestaat uit drie geprotocolleerde therapiesessies, gebaseerd op patient-centered psychotherapie en gericht op crisisstrategieën gecombineerd met een follow-up van zes persoonlijke brieven over een periode van 24 maanden. Dit is een combinatie van de reeds eerder effectief gebleken “postcard strategy” met intensieve psychotherapie. De belangrijkste exclusiecriteria waren psychose en taalproblemen. Na screening van 291 patiënten werden 120 patiënten gerandomiseerd in een interventiegroep (ASSIP+TAU; N=60) en een controle group (TAU; N=60).

De primaire uitkomstmaat was herhaling van een suïcidepoging. Hoewel er, zoals al eerder benoemd te verwachten, een grote loss to follow-up was met name in de controlegroep (uitval respectievelijk 7% en 22% na 24 maanden), vonden de auteurs opvallende verschillen in the intention-to-treat analyses. In de interventiegroep vonden 5 herhalingen plaats en in de controlegroep 41. Deze pogingen werden gedaan door 5 patiënten uit de interventiegroep (8,3%) en 16 patiënten uit de  controlegroep (26,7%). Dit vertaalde zich in een 83% reductie van het risico op een herhaalde poging in de interventiegroep ten opzichte van de TAU groep. Er was geen verschil in geslaagde suïcides: in beide groepen pleegde 1 patiënt suïcide binnen de follow-up tijd van 24 maanden.

 

Bespreking en besluit

Hoewel het een kleine studie betreft, waarbij de effect sizes kunnen worden overschat, is ASSIP mogelijk een kosten-efficiënt alternatief in de preventie en behandeling van suïcidaliteit. Andere limitaties zijn de retrospectieve zelfrapportage over herhaalde pogingen bij follow-up en het feit dat de TAU groep ook een uitgebreide assessment kreeg door dezelfde therapeuten, met mogelijk ‘contaminatie’ tot gevolg (met mogelijk reductie van het verschil). Daarnaast geven de auteurs aan dat een aantal veranderingen aan het protocol en de analyses is doorgevoerd (bijvoorbeeld ten aanzien van de groepsgrootte) na peer-review, zonder verdere toelichting. Sterke punten zijn de ‘real-life setting’ die maakt dat de resultaten waarschijnlijk goed generaliseerbaar zijn naar de praktijk en de gemakkelijke en goedkope uitvoerbaarheid van de interventie.

Het leuke aan deze studie is de pragmatische insteek, om los van diagnoses alle suïcidepogers te selecteren voor een laagdrempelige en gemakkelijk uit te voeren geprotocolleerde interventie. De studie verdient een grote replicatie, maar dit zou wel eens een interventie kunnen worden met een grote impact in termen van kosteneffectiviteit en gezondheidswinst. 

 

 

Dit artikel is geschreven door Martijn Van Noorden en Jeroen Steenmeijer


Twitter

Nieuwsbrief

Disclaimer/Privacy