20april2014

DJP

De Jonge Psychiater

Research Wetenschappelijk onderzoek Het symptoom van Jerommeke: praten over jezelf in de derde persoon enkelvoud

Het symptoom van Jerommeke: praten over jezelf in de derde persoon enkelvoud

jerommeke

Op een feestje in gesprek met een man, Lars, gingen mijn nekharen overeind staan toen hij zei: “….en ik zei tegen mezelf, Lars, dat kun je beter anders doen.” Ik vroeg me af waarom ik het eigenlijk als irritant ervoer en of het iets met narcisme te maken zou kunnen hebben. Een paar dagen later had ik een gesprek met één van mijn patiënten, Freek. Hij vroeg:“…dokter, vindt u dat Freek het goed doet op de afdeling?” In plaats van irritant vond ik het nu aandoenlijk. Later werd bij deze patiënt een lichte verstandelijke handicap vastgesteld.

Jerommeke uit de verhalen van Suske en Wiske is een stripfiguur die over zichzelf praat in de derde persoon enkelvoud of met zijn eigen voornaam (zie figuur). In Vlaanderen verwijst de naam ‘Jerommeke’ zowel naar een domme krachtpatser als naar iemand die zich sterk voordoet, maar in wezen een onderdeurtje is. Hoewel er in het Nederlands geen term is voor praten over jezelf in de derde persoon enkelvoud, spreekt men in het Engels van ‘illeism’ (ille = hij, Latijn), gedefiniëerd als “the act of referring to oneself in the third person instead of the more appropriate first person” (1).

In alledaags taalgebruik kan illeism verscheidene, contextafhankelijke, al dan niet bewuste doelen dienen. Voorbeelden zijn illeism als twist in literatuur, als cultuurgebonden manier van uitdrukken, als ironisch stijlmiddel of om een zweem van objectiviteit aan persoonlijke acties te verlenen. Wat zou illeism in psychiatrische context kunnen betekenen? Kan taal expressie geven aan de mentale activiteit van een narcistisch persoon? Is Jerommeke een narcist?

In dit essay zal ik mijn idee belichten dat de fase in de taalontwikkeling van kinderen waarin ze persoonlijke voornaamwoorden gaan gebruiken tevens een kwetsbare fase is voor het oplopen van narcistische pathologie volgens de psychoanalytische theorie. En als het symptoom van Jerommeke inderdaad kan wijzen op gestoord narcisme, wat kunnen we er dan mee in de psychiatrische praktijk van alledag?

Taalontwikkeling bij kinderen
In westerse culturen is het gewoon dat ouders baby’s vanaf de geboorte taal geven aan allerlei veronderstelde verlangens en bedoelingen van het kind. Wat betreft taalontwikkeling vindt tussen het 2e en 3e levensjaar belangrijke transitie plaats. Rond het 2e levensjaar praat een kind nog over zichzelf met zijn eigen voornaam (“Gijs boeken lees”) en benoemt het ook de aangesproken volwassenen met de eigennaam (“papa koekje pakken”). De eerste persoon enkelvoud ontwikkelt zich het eerst, daarna volgen de eerste persoon meervoud en de derde persoon enkelvoud. Ouders spelen gewoonlijk in op het taalontwikkelingsniveau van het kind. Ze spreken het kind aan en benoemen zichzelf met hun eigenaam (“als Gijs nu in bed gaat liggen, zal mama nog een verhaaltje voorlezen”). Het kind krijgt langzamerhand inzicht in wisselende rollen van aanspreken, worden aangesproken en besproken worden. Het verschijnen van de ‘ik’-vorm is soms ambivalent voor het kind, waarschijnlijk samenhangend met het intense identificatieproces op deze leeftijd en de daarmee samenhangende behoefte zich als persoonlijkheid af te zetten tegenover de omgeving. Soms zal het kind in deze periode zijn eigen identiteit extra benadrukken: “Nee ikke Gijs”. Hoewel de leeftijd voor deze transitie erg kan variëren, gebruikt een kind rond de 28 maanden de eerste persoonlijke voornaamwoorden (3, 4). De observatie dat volwassen verstandelijk gehandicapten soms nog over zichzelf praten met hun eigen voornaam, kan geduid worden als een stagnatie van de cognitieve ontwikkeling in deze fase (een IQ van 30 - 40 past bij deze ontwikkelingsleeftijd). Piaget is een van de eersten die zich over de ontwikkelingspsychologie van kinderen boog en hen omschreef als egocentrisch. Een afname in het gebruik van ‘ik’ kon volgens hem worden gezien als een index voor de ontwikkeling van een egocentrische naar een meer sociale oriëntatie. Het ouder wordende kind refereert steeds meer naar anderen (zgn. social referencing) (5).

Psychoanalytische theorie over ontwikkeling van narcisme
De opvatting over wat narcisme precies inhoudt is in de afgelopen eeuw geëvolueerd en nog onderwerp van discussie (6). De term ‘narcistisch’ werd het eerst door Freud gebruikt, later gaven Kernberg en Kohut invloedrijke beschrijvingen (7, 8). In de psychoanalytische theorie wordt narcisme vooral gedefiniëerd in de onbewuste interactie met anderen: narcisten moeten bewonderd worden door hun omgeving om hun wankelbare zelfbeeld te voeden. Kohut stelt dat er bij narcistische pathologie sprake is van een gestagneerde ontwikkeling van het zelfbeeld, terwijl Kernberg uitgaat van een reactieve ontwikkeling. In een overzichtsartikel door van Harten en van den Brink worden deze theorieën uitgebreid vergeleken (9). De narcistische persoonlijkheid zou zijn oorsprong hebben in vroegkinderlijke traumata in relatie tot de ouders. Er was geen ‘good enough mother’, die zich eerst vrijwel volledig aanpast aan wat het kind nodig heeft, en dit later afzwakt als het kind zelf in staat is om te gaan met frustraties (10). Als het kind niet is geaccepteerd in zijn eigenheid, wordt het gedwongen een ‘onecht zelf’ te ontwikkelen. Bij gestoord narcisme manifesteren zich primitieve structuren als een ‘grandioos zelf’ en de ‘geïdealiseerde ouder’, waarbij grootheidsfantasieën en gevoelens van perfectie horen. Wie kent niet een jongetje dat vol trots naar zijn vader opkijkt en zeker weet dat hij de sterkste man op de aarde is? Voor het jonge kind zijn deze structuren belangrijk en vormen ze een normaal ontwikkelingsstadium. Verloopt de ontwikkeling voorspoedig, dan beschikt het kind later als volwassene over interne bronnen die de zelfwaardering op peil kunnen houden. Als deze ontwikkeling echter stagneert ontstaat het ‘narcistische tekort’ dat opgevuld dient te worden: het verlangen van het grandioze zelf om buitengewoon te zijn zoekt continu bevrediging.

Narcistisch taalgebruik

“Language, traditionally, has been regarded as the vehicle of thought, with the thought
attracting far more attention than the vehicle. But there are those who object to the
traditional distribution of attention on the ground that the vehicle as well as the freight it
carries should be given systematic scrutiny.”  (uit: Speech and Personality, Sanford, 1942)

Persoonlijke voornaamwoorden worden al langer bestudeerd in de psychologie omdat ze gebruikt worden om onderscheid te maken tussen het zelf en de anderen. Het gebruik van ‘ik’ lijkt een logisch voornaamwoord om in deze context te beschouwen. Sanford schreef al in 1942: “That the frequency of the first person singular is related to egocentrism is neither a new nor erudite notion, but such a relationship has never been thoroughly examined (…) and we would not be surprised if individual differences correlated with the degree of what G.W. Allport has called the ‘extension of the self’. One man might talk half a day with his ego remaining entirely dormant. Another, like the chronic gesticulator in a telephone booth, might find his conversation completely stalled if ‘I’ and ‘my’ were taken from his vocabulary” (3).

Vanuit psychoanalytisch perspectief zouden de persoonlijke voornaamwoorden ‘ik’, ‘mij’ en ‘mezelf’ intrapsychische referenten kunnen hebben. Gebruik van deze persoonlijke voornaamwoorden zou het gevolg kunnen zijn van geheugenprocessen die te maken hebben met interpersoonlijke dialogen uit de vroege jeugd. “The ‘I’/’me’ of each spoken sentence is a selected libidinal and narcissistically organised self-perception at the service of an exchange with the interlocutor at hand, the specific ‘you’ of that linguistic act”, aldus Rizutto. Het gebruik van ‘ik’ wordt in deze visie gebruikt om wensen, afweer en zelfvertrouwen te reguleren (11). In experimenteel onderzoek bleek inderdaad aangetoond te kunnen worden dat narcisme geassocieerd is met persoonlijk voornaamwoordgebruik waarin ‘ik’ hoogtij viert. Aan 48 studenten werd gevraagd of ze een monoloog van enkele minuten wilden houden: er was een statistisch significante associatie tussen een hogere score op de Narcissistic Personality Inventory (NPI) en het gebruik van 'ik', terwijl er een negatieve associatie was met het gebruik van ‘wij’. Andere persoonlijkheidsconstructen, zoals extraversie en neuroticisme, vertoonden deze assocatie niet. Hoewel dit onderzoek onder studenten werd uitgevoerd, waardoor de validiteit in de algemene- of patiëntenpopulaties betwijfeld mag worden, concluderen auteurs dat dit onderzoek “may expand the emerging portrait of the narcissistic personality, particularly as it is manifested in everyday conduct and in social interactions” (12).

Gebaseerd de associatie tussen narcisme en ‘ik’-gebruik, is het voorstelbaar dat een soortgelijke associatie kan gelden voor het gebruik van de derde persoon enkelvoud of de eigen voornaam. “Mensen die aan zichzelf refereren in de derde persoon, daar is meestal iets mis mee. De enige die het over zichzelf in de derde persoon mag hebben zonder dat het walgelijk of kinderachtig wordt, is natuurlijk Sinterklaas.” Schrijfster Paulien Cornelisse noemt het in haar populaire boek over taaleigenaardigheden raadselachtig hoe zo’n gewoonte ontstaat, “missschien komt het door de talloze ooms, opa’s en vaders die één keer per jaar Sint mogen spelen, en voor wie acteren dus geen tweede natuur is. Ze moeten zichzelf er steeds van overtuigen dat ze echt Sint zijn, en niet ‘ik’.” (13). Hier is, in onschuldige vorm, een parallel te herkennen met de psychodynamiek van een narcistische persoon die zichzelf steeds moet overtuigen dat hij een belangrijke rol speelt in interactie met anderen. Praten over zichzelf in derde persoon enkelvoud zou dus als een vorm van ego-stutting middels taal beschouwd kunnen worden. Praten over jezelf in de derde persoon enkelvoud of met eigen voornaam imponeert als een nog extremere ‘extensie van het zelf’ dan veelvuldig ‘ik’ gebruiken, en zou dus gezien kunnen worden als een uitgesproken symptoom van narcisme. Hoewel speculatief, is de formatie van het symptoom van Jerommeke consistent met het belangrijke tijdsframe tussen het 2e en 3e levensjaar, waarin kinderen zich zowel in een belangrijke fase in hun taalontwikkeling bevinden voor de differentiatie tussen ‘ik’ en ‘de ander’ als kwetsbaar zijn voor het oplopen van een zogenaamd ‘narcistisch tekort’.

Het eerder besproken onderzoek dat een associatie tussen narcisme en het gebruik van ‘ik’ aantoonde, vond overigens géén associatie tussen narcisme en het gebruik van de tweede (‘jij’) en derde (‘hij’, ‘zij’) persoon enkelvoud (12). Dat deze associatie niet gevonden werd lijkt simpel te verklaren, omdat veelal daadwerkelijk een ander aangeduid zal worden met ‘hij’ of ‘zij’; alleen uit de context kan worden afgeleid of de spreker op zichzelf doelde. Over refereren naar jezelf met eigen voornaam is bij mijn weten nog nooit onderzoek gedaan.

Taal als dipstick voor psychopathologie?

jerommeke2Het is opvallend dat taalanalyse niet vaker als uitgangspunt wordt genomen in de psychiatrie, terwijl diagnostiek en behandeling grotendeels verbaal plaatsvinden. Het symptoom van Jerommeke biedt een perspectief op taalanalyse als diagnosticum voor of effectmeting van behandeling van psychiatrische aandoeningen. Kan, zoals een urineweginfectie wordt vastgesteld met een dipstick in de urine of bloeddruk met een 24-uurs Holter monitoring, de diagnose van een psychiatrische stoornis worden ondersteund door (digitale) analyse van (online) taalgebruik?
En hoe zou dat er in de praktijk uit kunnen zien?

Er worden steeds meer apparaten en software ontwikkeld om alledaags taalgebruik, ook buiten een laboratorium setting, te kunnen onderzoeken (14). In een paper met de titel Sounds like a narcissist openen de auteurs ironisch met: “Narcissists love attention. Lucky for them, they have recently received a considerable amount of it from academic psychologists, especially in laboratory settings.” Het doel van deze studie was te beschrijven hoe narcisme zich manifesteert in alledaags gedrag met een digitaal draagbaar apparaat (15). In een onderzoek waarin 694 weblogs op internet onder de loep werden genomen, bleken er duidelijke correlaties tussen diverse aspecten van persoonlijkheid en woordgebruik te zijn (16). De taaluitingen worden in dit type onderzoek vaak geanalyseerd met Linquistic Inquiry and Word Count (LIWC) (17). Dit software programma analyseert teksten door het aantal woorden in verschillende woordcategoriëen te tellen, bijvoorbeeld in e-mails, dagboeken of getranscribeerde gesproken tekst. In het boek The Secret Life of Pronouns beschrijft Pennebaker dat verandering in de keuze van woorden een belangrijke rol kan spelen bij verschillende patiëntgroepen, bijvoorbeeld bij personen met een depressie of post-traumatische stress stoornis (18). Er is ook een Nederlandse LIWC-versie beschikbaar (19).Door de opkomst van de sociale media zoals Facebook en Twitter wordt het makkelijker relatief spontane, alledaagse uitingen van taal met elkaar te vergelijken. Op deze sociale media geven mensen met korte stukjes tekst weer wat hen bezighoudt. Er is al een engelstalige TweetPsych die een psychologisch profiel opmaakt van twitteraars met behulp van LIWC (http://tweetpsych.com). Naast taalgebruik lijkt ook de aard van de foto’s die mensen gebruiken in sociale media informatief over hun mate van narcisme. Hoe meer als sexy en zelf-promotend de profielfoto op Facebook werd beoordeeld door anderen, hoe hoger de score van de persoon op een narcisme-schaal (20). Tekstuele status updates op Facebook zouden op dezelfde wijze geanalyseerd kunnen worden.

Taal is één van de meest directe manieren om gedachten en gevoelens uit te drukken en verdient daarom meer aandacht als bron voor het vaststellen van persoonlijkheid (21). Het gebruik van persoonlijke voornaamwoorden biedt vanzelfsprekend slechts een partiële reflectie van complexe mentale processen. Daarnaast is het symptoom van Jerommeke niet specifiek voor narcisme. Zoals eerder genoemd praten verstandelijk gehandicapte mensen soms ook over zichzelf in de derde persoon enkelvoud of met hun eigen voornaam. Voorts beschrijft Kanner in 1943 dat er sprake is van taaleigenaardigheden bij mensen met een autistische stoornis, onder andere het over zichzelf praten in de derde persoon (22). Er zijn meer uitzonderingen te bedenken, zoals de al eerder genoemde alledaagse functies van illeism. Wanneer echter geplaatst in de context van andere parameters, is taalanalyse een mogelijk instrument voor het meten van narcisme.

Conclusie
Als iemand praat over zichzelf in de derde persoon enkelvoud of met zijn of haar eigen voornaam (het symptoom van Jerommeke), kan narcisme overwogen worden. Taalgebruik, meer specifiek persoonlijk voornaamwoordgebruik, kan inderdaad iets zeggen over de mate van narcisme in experimenteel onderzoek. Of er daadwerkelijk expressie wordt gegeven aan de mentale activiteit van een narcistisch persoon is speculatief, maar past wel bij de veronderstelde psychodynamiek. De fase in taalontwikkeling waarin kinderen voornaamwoorden gaan gebruiken om ‘ik’ van ‘de ander’ te onderscheiden, vormt tevens een kwetsbare fase voor de ontwikkeling van narcistische pathologie. Hoewel het symptoom van Jerommeke slechts een voorbeeld is van de rol van taal in de psychiatrie, is dit essay een pleidooi om meer aandacht aan taalgebruik te gaan besteden, bijvoorbeeld door het gebruik van taalanalyse-software.

Kent u een Jerommeke binnen uw patientenpopulatie of in uw eigen omgeving? En, is het idee dat praten over jezelf met eigen voornaam een opvallend symptoom van narcisme kan zijn te boud, of mag ik zeggen: “Ja, Lineke, meisje, wat jij hier stelt is zo gek nog niet”?

door Lineke Tak, aios psychiatrie, Dimence (e-mail: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken. )

Referenties
1. http://en.wikipedia.org/wiki/Illeism, geraadpleegd op 03-03-2013.
2. Van der Steen W. Suske en Wiske nr. 80. De Brullende Berg. 1984, Standaard Uitgeverij
Antwerpen.
3. Sanford N. Speech and personality. Psychological Bulletin, 1942:39:811-845.
4. Schaerlaekens AM. De taalontwikkeling van het kind. Een oriëntatie in het Nederlandstalig
onderzoek. 1977, Wolters-Noordhoff, Groningen.
5. Goodenough F. The use of pronouns by young children: a note on the development of selfawareness. Journal of Psychology, 1938:53:336-346.
6. Alarcón RD, Sarabia S. Debates on the narcissism conundrum: trait, domain, dimension,
type, or disorder? Journal of Nervous and Mental Disease, 2012:200:16-25.
7. Kohut H. The analysis of the self. 1971, International University Press, Inc., Madison,
Connnecticut.
8. Kernberg OF. Severe personality disorders, psychotherapeutic strategies. 1984, Yale
University Press, New Haven.
9. van Harten PN, van den Brink W. De narcistische persoonlijkheidsstoornis. Tijdschrift
voor Psychiatrie, 1990:32:658-673.
10. Winnicot D. Playing and Reality. 1971, Tavistock Publications / 2005, Routledge
Classics, New York.
11. Rizzuto AM. First person personal pronouns and their psychic referents. International
Journal of Psychoanaysis, 1993:74:535-546.
12. Raskin R, Shaw R. Narcissism and the use of personal pronouns, Journal of Personality,
1988:56:393:404.
13. Cornelisse P. Taal is zeg maar echt mijn ding. Uitgeverij Contact, 2010, Amsterdam /
Antwerpen.
14. Mehl MR, Pennebaker JW, Crow DM, Dabbs J, Price JH. The Electronically Activated
Recorder (EAR): A device for sampling naturalistic daily activities and conversations.
Behavior Research Methods Instruments & Computers, 2001:33:517-523.
15. Holtzman N, Vazire S, Mehl M. Sounds like a narcissist: Behavioral manifestations of
narcissism in everyday life. Journal of Research in Personality, 2010:44:478–484
16. Yarkoni, T. Personality in 100,000 words: A large-scale analysis of personality and word
use among bloggers. Journal of Research in Personality, 2010:44:363-373.
17. Pennebaker JW, Francis ME, Booth RJ. Linguistic Inquiry and Word Count: LIWC2001.
2001, Mahwah, New Jersey, Erlbaum Publishers.
18. Pennebaker JW. The secret life of pronouns: what our words say about us. 2011,
Bloomsbury Press, New York.
19. Zijlstra H, van Meerveld T, van Middendorp H, Pennebaker JW, Geenen R. De
Nederlandse versie van de Linguistic Inquiry and Word Count (LIWC). Een
gecomputeriseerd tekstanalyseprogramma. Gedrag & Gezondheid, 2004:32:271-281.
20. Buffardi LE, Campbell WK. Narcissism and social networking web sites. Personality and
Social Psychology Bulletin, 2008:34:1303-1314.
21. Fast LA, Funder DC. Personality as manifest in word use: Correlations with self-report,
acquaintance report, and behavior. Journal of Personality and Social Psychology, 2008:94,
334-346.
22. Kanner L. Autistic disturbances of affective contact. Nervous Child, 1943:2:217-250.

Deel dit artikel
FaceBook  Twitter